Weetjes

GALLISCHE TOPONIEMEN

Wat is een toponiem?

Een toponiem is een plaatsnaam en de studie ervan is de toponymie. Het kan gaan over dorps-, stads- en riviernamen, maar in onze contreien hebben zowat alle bossen, velden, weiden, straten, vijvers en poelen intrigerende namen. Het Kadoinke, de Eksterstraat, Moskesstraat, Kellebron, de Caudenberg, een Kerselaer en de Nekkerspoel, zijn maar enkele van de duizenden voorbeelden in België. 

Lokale bewoners gaven vroeger in hun eigen spreektaal een naam aan landschappelijke elementen omwille van zeer diverse redenen. Om goden een plaats te geven, om de weg terug te vinden, of gewoon om van de wilde natuur hun thuis te maken. 

In de praktijk blijken het Welsh en de Bretoense dialecten vaak uitermate nuttig om de toponiemen in Vlaams- en Waals-Brabant te vertalen. Dit betekent niet dat de toponiemen ‘Welsh’ of ‘Bretoens’ zijn. Wel dat voornoemde talen en dialecten nog erg moeten lijken op de gesproken dialecten uit het West-Europa in de ijzertijd.

 De Kellebron en de Moskesstraat, een oude holle weg, allebei in Overijse.

Huisnamen, verrassend erfgoed

Niet enkel de straatnamen, maar ook oude namen van huizen in steden en dorpen vertellen hun verhaal. De huizen zelf mogen dan wel herbouwd, gerestaureerd of gemoderniseerd zijn, hun namen geven prachtig weer hoe het dorp er in een zeer ver verleden uitzag. Zo was een Rood Huis niet rood, maar bevond het zich aan de kant van het ‘water’ (van het Bretoens rot). De afspanning Den Bonten Os had weinig met een rund te maken, maar vertelt meer over de ligging bij de 'waterbron' (bon) nabij de ‘rivier’ (osc).

Vooral in de steden, waar het landschap doorheen de eeuwen sterk vaak veranderd is, zijn huisnamen van onschatbare waarde om te begrijpen hoe dit landschap er vroeger ter plaatse uitzag.

Of hoe huisnamen geven voor de bewoners een manier was om het verleden te bewaren voor de volgende generaties.

Links, de afspanning Den Bonten Os. Andere huisnamen in het dorpscentrum vertellen nog veel meer over het uitzicht van het oude Overijse. Voorbeelden zijn de Fellenoord, de Kardinaal, de Roos of Den Hoorn.

Een woord is geen toponiem

En een toponiem is geen woord. Het is vaak een samenstelling van woorden, een zelfstandig naamwoord, met een lidwoord of een aanwijzend voornaamwoord.

Wanneer mensen spreken over een kouter en keuterboeren, weet iedereen dat dit met akkerland en graanvelden te maken heeft. In het moderne Nederlands tenminste. Een Kouterstraat daarentegen is geen woord uit het ABN. Het is ook geen woord. Het is een plaatsnaam uit de oudheid, te vertalen met dialecten van toen. En zo vertelt de Kouterstraat meer over een plek ‘ter cau’ of aan de haagwallen, de typische omwallingen rond nederzettingen waarvoor de Nerviërs bij de Romeinen zo bekend stonden. Cau is een oud Bretoens woord voor ‘omgeven met hagen, omsluiten’. 

Daarom is ook de beroemde Caudenberg in Brussel geen kille berg, zoals gesuggereerd met de Franse vertaling tot Froidmont, of vermeld in historische boeken over het onderwerp. De Caudenberg was een authentieke ‘omwalde’ (cau) burcht of ‘kasteel’ (bwrg). Zoveel als een versterkt fort.

Ander voorbeeld: een Kwadebeek als toponiem. In het moderne Nederlands betekent kwaad, ‘boos’. In het Vlaams-Brabantse dialect ten zuidoosten van Brussel doen mensen op doordeweekse dagen ‘ne kwauwe paltouw’ aan, geen kwade mantel, eerder een versleten overjas die tegen een stootje kan of mag vuil worden. In teksten uit vorige eeuwen leest men weleens iets meer over ‘kwade herbergen’. Natuurlijk waren deze herbergen niet boos, noch versleten. Het waren eerder prostitutie-oorden. En de Kwadebeken? Waren deze boos? Versleten? Zaten ze vol prostitués?… Neen. Het waren grensbeken, beschermd met hagen (qaea), omsloten door grachten (qae), of kortweg beschermd met een afsluiting of qae. Toponiemen in de omgeving van een Kwadebeek zullen dit enkel maar bevestigen.

De conclusie is duidelijk. Woorden kunnen met moderne talen worden uitgelegd. Een toponiem ontstond in de oudheid. Voor de vertaling ervan moet men beroep doen op de oude gesproken lokale dialecten.

Waren plaatsnamen dan niet Germaans of Frankisch?

Dat leest men momenteel in alle bestaande literatuur over toponiemen. Thesissen, heemkundige teksten, geschiedenisboeken, etymologische woordenboeken,… ze vertellen allen hetzelfde: toponiemen in onze streken zijn Germaans of Frankisch van oorsprong en moet je als dusdanig vertalen. 

Alleen stammen de theorieën waarop men zich baseert op ideeën die meer dan honderd jaar oud zijn. Uit een tijd waarin Duitse wetenschappers een grote invloed hadden in de omliggende landen en erg op zoek waren naar de Germaanse wortels van hun volk. Ideologische motieven waren niet vreemd aan deze interpretaties. De SS’ers hoefden in de jaren 1930 en 1940 weinig uit te vinden, toen ook zij bevestigden dat plaatsnamen tot in Noord-Frankrijk Germaans waren. 

Eigenaardig genoeg zijn deze oude ideeën ruim 75 jaar later nauwelijks in vraag gesteld. De talloze archeologische vondsten vanaf de jaren 1960 en nieuwe kennis van oudheidkundigen over de brons- en ijzertijd hebben er allemaal weinig aan veranderd. En de zo waardevolle dialecten in West-Europa, zo bereikbaar en vaak nog gesproken door de bevolking, die werden compleet vergeten door alle betrokken wetenschappers. 

Terlanen, Overijse.

Wie is Jean-Baptiste Bullet?

Een parel van een woordenboek dook op in de Nationale Bibliotheek van Frankrijk, prima geschikt om de toponiemen te vertalen. Het is een werk van de Fransman Jean-Baptiste Bullet, ‘Mémoires sur la langue Celtique’, gepubliceerd in 1754. Jean-Baptiste Bullet (°1699-✝1775) was theoloog en docent aan ‘l’Université de Besançon, des Académies de Besançon, de Lyon’ en ‘Associé de l’Académie Royale des Inscriptions et Belles Lettres’. Veel is er niet over hem geweten, hoewel de archieven wat dat betreft misschien nog niet al hun geheimen hebben prijsgegeven. 

Zeker is wel dat zijn omvangrijke woordenboek een uitgebreide woordenschat bevat, opgepikt uit talloze oude West-Europese dialecten. Het bleek een enorm waardevol werk te zijn, onmisbaar om de betekenis van de toponiemen te achterhalen.

Natuur, milieu en geschiedenis anders bekeken

De nieuwe kennis over de oudheid, die ontstaat door de toponiemen te vertalen met lokale dialecten, levert vele nieuwe inzichten op over onze wereld. Dit voor zowel de geïnteresseerde lezer, als voor de wetenschappers. 

Archeologen kunnen gerichter sporen uit de oudheid gaan zoeken en moeten interpretaties over hun vondsten bijstellen. Historici zullen middeleeuwse heren en families in een juistere landschappelijke en/of maatschappelijke context kunnen plaatsen. En wie weet, een beetje geschiedenis herschrijven: noch de Romeinen, noch de Franken stichtten de dorpjes of steden tussen Dijle en Dender. Meer nog, zonder de Galliërs zou de wereld van vandaag er totaal anders uitgezien hebben. Milieukundigen en natuurliefhebbers vangen een glimp op van de natuur uit de oudheid. Deze natuur in Vlaams- en Waals-Brabant was duidelijk veel natter en levendiger dan vandaag. Er bestonden uitgestrekte waterbossen, moerassen en wilde rivieren.  

Galliërs of Kelten?

In de boeken over Gallische Toponiemen wordt steevast over de Galliërs uit de ijzertijd (850 v.C.-1ste eeuw v.C.) gesproken. Heel het gebied van de Rijndelta aan de Noordzee tot de Middellandse Zee was Gallisch. Gallië bestond volgens Julius Caesar uit drie delen: de Aquitaniërs in het zuiden, de Kelten in het midden en de Belgen in het noorden (van Rijndelta tot en met Seinevallei volgens de toponiemen!).  

En zo had je de ‘historische’ Kelten: volkeren die door Griekse en Romeinse auteurs uit de oudheid Keltisch werden genoemd. Ze zouden geleefd hebben tussen de Rhône en de Atlantische Oceaan, van een onduidelijk noordelijk gebied tot ongeveer aan de Franse Garonnerivier. Eigenlijk zijn het enkel de Fransen die kunnen trots zijn op hun Keltische voorouders. Maar zij verkozen te spreken over ‘nos ancêtres les Gaulois’

En dan zijn er de ‘insulaire’ Kelten, de Kelten uit Bretagne, Wales, de Schotten en Ieren. Maar de Keltische identiteit in deze regio’s ontstond pas in de 16de eeuw en later. Om nationalistische redenen, om zich ook te kunnen onderscheiden van de overheersende Britten en Fransen. Het zijn in feite moderne Kelten. Feit is dat nauwelijks iets geweten is over de ware identiteit van pakweg de Ieren uit de ijzertijd. 

Tenslotte zijn er nog de ‘archeologische’ Kelten. Oorspronkelijk waren de volkeren in landen als Duitsland en Oostenrijk Germaans. Maar WOII maakte hier een ongemakkelijke waarheid van. Bepaalde Duitse archeologen zoals Kimmig Wolfgang, aangesloten bij de SS vanaf 1935, hebben na de oorlog sterk aangestuurd op het omvormen van de Germanen in Kelten. Een benaming die algemeen door de wetenschappelijke wereld is overgenomen. En zo ontdekt men nu in zowat heel West-Europa, inclusief Duitsland, Oostenrijk en Nederland, een Keltische cultuur uit de ijzertijd, of deze volkeren hier nu echt geleefd hebben of niet. 




Stater van de Eburonen, collectie Gallo-Romeins Museum Tongeren. Wikimedia Commons.

Leven in de ijzertijd

De ijzertijd werd onderverdeeld in de zogenaamde Hallstatt-periode (850-480 v.C.) en de La Tène-periode (480-1ste eeuw v.C.). Gallië lag toen bezaaid met een wegennet, dorpjes en steden. Mensen leefden in woningen met een verdiep, in alle vormen en formaten: van overdekte hallen die als marktplaats dienst deden, tot kleinere woningen voor landbouwers en ateliers voor ambachtslui. Galliërs deden op grote schaal aan landbouw, temden paarden, kweekten varkens, maar het waren tevens uitermate bedreven vaklieden die uit metaal de meest indrukwekkende juwelen, zwaarden, munten, keukengerei en kunstvoorwerpen vervaardigden.  

Enkele van de meest bekende archeologische sites zijn Ribemont-sur-Ancre, Gournay-sur-Aronde en Bibracte in Frankrijk, of nog Le Mormont in Zwitserland.

De toponiemen tonen echter dat ook in België de wereld uit de ijzertijd een uitermate bedrijvige wereld was, met een behoorlijk ingewikkelde maatschappelijke organisatie, intrigerende religieuze activiteiten en prachtige dorpen en steden. Het zijn zeker niet de Romeinen die hier de beschaving brachten.

Vondst crematiegraf van Rekem, 9e eeuw v.C., collectie Gallo-Romeins Museum Tongeren. Wikimedia Commons.


Enkele ontdekkingen in België

De eerste vertaalde toponiemen deden een belletje rinkelen. De wijk de Leegheid bleek een ‘natte, vochtige plaats te zijn waar men gemakkelijk glijdt en valt’ (Welsh llithrigrwydd), kortweg een ‘modderige, moerassige’ plaats (Bretoens lechyd). En dit pal op de moerassige oevers van de IJserivier! De Cordane, of het Kadoinke waren stadswallen waar de volksmond het altijd al vertelde. Hier was meer aan de hand! 

De exploratietocht ontpopte zich als een eindeloos fascinerende reis met talrijke hoogtepunten, te ontdekken in de boeken uit de reeks Gallische Toponiemen. Enkele voorbeelden? Court-Saint-Etienne en zijn uitgestrekte necropool. Galliërs bleken, net zoals hun tijdgenoten de Etrusken, heuse dodendorpen uit te bouwen, die men via lange bedevaartroutes doorheen de velden bereikte. Of nog, de plattegrond van een stad als Brussel. Brussel was een volwaardige stad uit de oudheid, met alles erop en eraan. Te ontdekken in het te verschijnen boek ‘Gallisch Brabant, wereld van toponiemen’!

De Leegheid aan de IJserivier omstreeks 1900. Archief M. Timmermans.


Geïnteresseerd in een boek?

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x