Over de nieuwe boekenreeks ‘Gallische Toponiemen’

Alles begon met een intrigerende vraag. Hoe zag de natuur eruit in de regio van het Zoniënwoud bij Brussel meer dan tweeduizend jaar geleden? Liepen er veel dieren rond? Bestonden er nog veel intacte bossen? 

Al snel belandt men dan bij die dappere Nerviërs uit de ijzertijd, wiens nederzettingen in Vlaams- en Waals-Brabant onvindbaar lijken. Geschriften ontbreken. Archeologen deden sinds de jaren 1970 nochtans talloze opzienbarende ontdekkingen uit de jaren 850 v.C. tot 52 v.C. in het oude Gallië, maar relatief weinig op Belgisch grondgebied. Waren de Nerviërs, en met hen hun buurvolkeren, dan toch de grootste wilden van Gallië?

Maar misschien bestond er een andere piste. Het krioelt van de Nederlands klinkende plaatsnamen in onze omgeving, zoals een Solheide, Farendys, Kaberg, Ketelheide, Roversvijver of Boterberg… Ze spreken tot de verbeelding, hoewel niemand ze echt begrijpt. 

Tot hiertoe werden deze toponiemen, inclusief gemeente- en stadsnamen altijd vertaald met behulp van Germaanse talen. Nochtans levert dit geen afdoende verklaringen op. Vaak is de uitleg onzeker en onduidelijk, maar vooral zonder enig verband met de landschappelijke realiteit of een maatschappelijke en religieuze context uit het verleden. 

Nochtans weet men uit de antropologie dat mensen wereldwijd van oudsher hun omgeving benoemden om vaak praktische en religieuze redenen. Waarom zou dit in onze streken niet het geval geweest zijn? En gebeurde dit dan niet in de oude spreektalen of ‘dialecten’ van de lokale bevolking? Enkel al in Nederland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië samen bestaan er meer dan honderd gesproken talen. Dan moest er toch ergens een woordenboek bestaan om hiermee aan de slag te gaan?

Na wat speurwerk dook inderdaad een vergeten woordenboek op van een theoloog en specialist ‘Keltische’ talen uit de 18de eeuw, namelijk van de Fransman Jean-Baptiste Bullet. Al snel na de eerste vertaalpogingen bleek dat onder meer het Welsh en Bretoense dialecten prima geschikt zijn om de betekenis van onze toponiemen te ontrafelen. 

En zo begon een enorm fascinerende speurtocht naar de Galliërs uit de oudheid. Stilaan verscheen hun hele cultuur opnieuw vanonder de lapjes wilde natuur en de 21ste-eeuwse woonkernen. Het leidde tot de ontdekking van statige heuvelforten, omwallingen, heilige bossen, necropolen, handelsmarktjes, ijzerontginningssites, rivierhavens, een uitgebreid wegennet en een goed uitgekiende militaire strategie om dorpen en steden te verdedigen, verspreid over heel het Belgische grondgebied. Idem voor de rest van Gallië.  

Een publicatie van een boekenreeks hierover kon niet achterwege blijven. En zo kwam de reeks Gallische Toponiemen tot stand. Met als eerste exemplaar in de reeks, 'Isca, een dorp uit de ijzertijd', waarin Overijse, als eerste dorp uit het oude Gallië opnieuw gestalte krijgt dankzij de toponiemen.


Over de nieuwe boekenreeks ‘Gallische Toponiemen’

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x